Close

14 maart 2018

Honderd jaar Balfour Declaration: kiem van 100 jaar conflict

Ons bestuurslid Hettie Oudelaar schreef voor Kleio, een vakblad voor docenten geschiedenis, een artikel over 100 jaar Balfour Verklaring. We stellen het met genoegen ook beschikbaar op onze website.

Dit jaar kent de herdenking van 100 jaar Balfour Declaration, die uitmondde in het VN verdelingsplan, nu 70 jaar geleden en de bezetting door Israël van de westelijke Jordaanoever, nu 50 jaar geleden.

Elke bevolkingsgroep betrokken in dit conflict vindt zijn eigen nationale historie uniek, de waarheid in dit conflict is nog steeds een moeilijk te vangen prooi. Er zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog tegenstrijdige beloften gedaan aan diverse bevolkingsgroepen in het Midden-Oosten. Een oplossing voor het daaruit volgende conflict in Israël tussen joden en Palestijnen is nog niet gevonden.

In dit artikel wordt nader ingegaan op de Balfour Declaration, de context, de inhoud van de verklaring, de motieven voor het uitbrengen ervan en de gevolgen.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was de Britse regering niet genegen aan het Arabische of Joodse nationalisme tegemoet te komen. Dat een onafhankelijke Arabische staat, inclusief Palestina, aan Sharif Hoessein werd aangeboden in 1915 en daarna hetzelfde Palestina aan de Joden in 1917 heeft voor een groot deel te maken met de ontwikkeling van de oorlog. Frankrijk, Rusland en Groot Brittannië hadden veel moslim onderdanen binnen hun rijk. Zouden die bereid zijn te vechten voor hun christelijke heerser en tegen de sultan/kalief? Deelname van Turkije aan de oorlog aan de kant van de Centralen leidde tot besprekingen tussen Groot Brittannië, Frankrijk en Rusland over een naoorlogse verdeling van het Ottomaanse Rijk. Tussen de Constantinopel Overeenkomst van maart/april 1915, zoals deze besprekingen werden genoemd, en november 1917 werden meerdere voorstellen gedaan voor de toekomst van Palestina: er was sprake van een Russisch bestuur over Jeruzalem, Bethlehem en Jaffa; Palestina zou een Egyptische provincie worden onder Brits bestuur. De nederlaag bij Gallipoli vergrootte de angst voor een jihad onder de moslims uit de koloniën en leidde tot de Mac Mahon -Hoessein correspondentie. In dezelfde periode werd het Sykes -Picot verdrag gesloten, waarbij werd voorgesteld Palestina onder gezamenlijk bestuur van de geallieerde mogendheden, inclusief het tsaristisch Rusland, te plaatsen. De communisten maakten na de machtsovername in Rusland dit verdrag openbaar. De zionistische organisaties in Engeland zagen hierin een belemmering van hun plannen voor de omvorming van Palestina tot joods thuisland en –staat en oefenden druk uit op de regering voor steun aan een Joods Palestina onder Brits protectoraat. Zij wisten te bewerkstelligen dat dit aspect uit het Sykes-Picot verdrag werd verwijderd. Terwijl geallieerde troepen onder leiding van generaal Allenby optrokken naar Jeruzalem en Hoessein opmerkzaam gemaakt werd op de details van het Sykes-Picot verdrag schreef James Balfour, de Britse minister van buitenlandse zaken, een brief aan Lord Rothschild, een belangrijke figuur binnen de Britse joodse gemeenschap.

Lord James Balfour

Deze brief was de vrucht van twaalf maanden intensieve onderhandelingen tussen Britse Zionisten en ambtenaren van het ministerie van buitenlandse zaken en uiteindelijk het oorlogskabinet van Lloyd George.

De letterlijke (in het Nederlands vertaalde) tekst van deze brief luidde als volgt: “Ik heb het genoegen om, in naam van de regering van Zijne Majesteit, aan u de volgende verklaring van sympathie met joodse zionistische aspiraties, die is overlegd aan, en goedgekeurd door het kabinet, over te brengen: “Zijne majesteits regering staat welwillend tegenover de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het joodse volk, en zal zich naar vermogen inspannen om het bereiken van dit doel te bevorderen, waarbij duidelijk moet zijn dat niets zal worden gedaan dat de burgerrechten en religieuze rechten van de bestaande niet-joodse gemeenschappen zal schaden, dan wel de rechten en de politieke status van joden in enig ander land”. Ik ben u dankbaar als u de zionistische federatie [in Groot-Britannië] van deze verklaring in kennis zult stellen”. 1

Een eerdere versie van de tekst van de hand van Rotschild zelf sprak van “Palestina opnieuw vormgeven als Nationaal Tehuis van het Joodse Volk”. Rotschilds concept sprak tevens van het recht voor de joden tot onbeperkte immigratie en van joodse binnenlandse autonomie. Dus in feite het vervullen van alle wensen van de Zionisten. De uiteindelijke tekst was een compromisformulering om weerstand binnen de Britse regeringskringen weg te nemen. Degenen die zich zorgen maakten om de gevolgen van het zionistisch streven en tegen de vestiging van een joodse staat in het hart van het Midden-Oosten waren moesten worden gerustgesteld: het zou niet gaan om een joodste staat en ook niet om heel Palestina. Daarom bevatte de brief ook de toevoeging over de burgerrechten en de religieuze rechten van de ‘niet-Joodse’ gemeenschappen in Palestina. Ruim 90 % procent van de bevolking van Palestina was destijds nog niet-joods, en hoofdzakelijk Arabisch. Over hun politieke rechten werd in de verklaring niet gesproken. Evenmin werd verwezen naar hun nationale rechten als volk terwijl er wel werd gesproken over ‘het joodse volk’. De passage over de rechten en de politieke status van joden elders was eveneens een toevoeging. Beide laatste toevoegingen werden gedaan onder invloed van sir Edwin Montagu, een joodse anti Zionist die in het kabinet Lloyd George de oppositie tegen de Balfour Declaration leidde. Hij was bang dat dat de verwezenlijking van een nationaal tehuis voor de joden antisemieten wereldwijd het voorwendsel zou kunnen geven voor uitwijzing van joden in hun landen naar dat tehuis. De omvang en grenzen van dat nationaal thuis werden opzettelijk onbepaald gelaten door Engeland in 1917.

Historici verschillen van mening over de oorsprong en motieven voor de Balfour Declaration.

Hoe slaagde een kleine, militaire machteloze, groep Joden in het Verenigd Koninkrijk erin om het Britse oorlogskabinet te overtuigen om deze verklaring af te geven?

Leonard Stein (The Balfour Declaration, London, 1961), meent dat de Declaration het resultaat was van zionistisch lobbywerk , in het bijzonder van Dr Chaim Weizmann, de chemicus uit Wit -Rusland (later de eerste president van Israël), die werkte aan de universiteit van Manchester en daarnaast een van de leiders van het Britse Zionisme was. Overal in het land promootte hij de zaak van de Zionisten. Hij ondervond daarbij weerstand van conservatieve rabbi’s die het terugbrengen van joden naar het Beloofde Land als blasfemie beschouwden, een anticiperen op het te verwachten Messiaanse Rijk. In 1906 had Weizmann voor het eerst contact met James Balfour2 Deze was toen partijleider van de Britse conservatieven. Uit Weizmanns memoires blijkt dat hij toen al Balfour wist te overtuigen van de juistheid van het zionistisch streven om van Palestina een joods thuisland te maken en dat hij hierbij uit naam van “miljoenen joden” sprak3. Er was geen Palestijnse equivalent voor Weizmann: de Palestijnse Arabieren hadden geen enkele invloed binnen de regering in Londen, Parijs of Washington.

Weizmann verwierf faam als scheikundige door zijn ontdekking in de biochemie. Met zijn uitvinding was het mogelijk op grote schaal aceton te maken, waarvan cordiet werd gemaakt. Cordiet werd gebruikt bij de fabricatie van wapens. De reputatie die Weizmann verschafte hem toegang tot verschillende leden van het oorlogskabinet om de zaak van de zionisten te bepleiten. Zo kwam hij in contact met Lloyd George. Dat de Declaration een beloning was voor Weizmann’s uitvinding ten bate van de oorlogvoering staat in de memoires van de premier maar is een hersenspinsel van Lloyd George volgens de Amerikaans historicus David Fromkin 4

Weizmann en andere zionisten speelden om steun voor het zionistische project te verwerven in op de imperialistische belangen van Engeland in het Midden Oosten.5

Mogelijk overdreven de zionisten in hun lobbywerk naar de Britse politiek hun eigen invloed op joodse gemeenschappen wereldwijd. In elk geval meende de Britse regering zelf dat het door middel van de Balfour Declaration de sympathie van de meest invloedrijke joodse kringen in landen als de VS en Rusland zou kunnen winnen. Deze zouden dan vervolgens het beleid van deze landen ten aanzien van de Eerste Wereldoorlog die toen nog woedde in gunstige zin kunnen beïnvloeden.6 Invloedrijke joden konden president Wilson ertoe bewegen deel te nemen aan de oorlog tegen de Centralen. In Rusland zouden invloedrijke joden, zoals Trotsky, het communistisch bewind ertoe kunnen bewegen de strijd tegen Duitsland voort te zetten.7 Een hoop die ijdel bleek: Trotsky was geen zionist en het nieuwe communistische bewind in Rusland had op dat moment alle belang bij het sluiten van vrede met Duitsland.

Volgens Mayir Verete (The Balfour Declaration and its makers’, Middle Eastern Studies, 6 (1), January 1970) speelden sympathie voor de zaak van de zionisten en zionistische lobby geen rol maar waren imperialistische belangen de drijfveer voor de Balfour Declaration. Het ging er om de Fransen uit Palestina te houden.

Een joods thuisland of staat in Palestina zou als buffer kunnen dienen om het Suezkanaal te beschermen tegen elke vijandige kracht uit het noorden8 (het Ottomaanse Rijk en misschien ook Rusland). En een bondgenoot in Palestina in de vorm van een joods thuisland kon belangrijk zijn voor de bescherming van Britse oliebelangen; tijdens het Brits mandaat over Palestina werd in Haifa olie uit Irak via een pijplijn naar de olieraffinaderij gebracht.

Tom Segev maakt in zijn boek over het Britse mandaat in Palestina (One Palestine:Complete, London 2000) gebruik van nieuw bronmateriaal en geeft een andere verklaring: Zionisten noch imperialisten zitten achter de Declaration maar de minister president Lloyd George wiens steun voor het Zionisme niet was gebaseerd op Britse belangen. De Engelsen kwamen Palestina binnen om de Turken te verslaan; ze bleven daar om het uit handen van de Fransen te houden; ze gaven het aan de Zionisten omdat ze ‘de Joden’ zowel liefhadden als verafschuwden: de Declaration was niet gebaseerd op militaire of diplomatieke belangen, maar het product van vooroordeel, geloof en handigheid. De mannen die het opstelden waren christen en zionisten en in veel gevallen antisemitisch. Zij geloofden dat de Joden de wereld beheersten.9 Britse bewindslieden als Lloyd George en Balfour waren grootgebracht in de protestantse traditie en daarin speelde het geloof in de noodzaak van terugkeer van joden naar het Beloofde Land, als wegbereider voor de uiteindelijke wederkomst van Christus op aarde een belangrijke rol. Dit christelijk zionisme ging er wel van uit dat de ‘teruggekeerde ‘joden zich uiteindelijk tot het christendom dienden te bekeren en Christus als hun redder dienden aan te nemen.

Hier blijkt de dubbelzinnige houding ten aanzien van de joden onder figuren als Balfour: antisemitisme en tegelijk bewondering voor de joden. Als minister president in 1905 was hij fel tegen immigratie van Russische joden naar Engeland. Vestiging van joden in Palestina was voor hem een gelegenheid de joden met hun ander religie en beschaving, uit Europa te verdrijven.

Duidelijk blijkt uit de documenten van de Britse regering dat de Arabische meerderheid geen enkele stem kreeg in het vormen van de toekomst van hun eigen staat. In een telegram aan de Commisaris in Egypte adviseerde het ministerie van buitenlandse zaken achterdocht bij de Arabieren ten aan zien van het ware doel van de zionisten weg te nemen.10

In 1922 verkreeg Engeland van de Volkenbond officieel een mandaat om Palestina naar een onafhankelijke toekomst te leiden. In dit mandaat werd de Balfour Declaration als basis genomen ten gevolge van lobbywerk van de zionisten. Vanwege de Declaration kregen de Palestijnse Arabieren onder het Britse mandaat niet de democratische politieke rechten en het beperkte zelfbestuur die wel golden voor de bevolking van ander landen in het Midden Oosten die onder Brits gezag stonden.

Al in november 1918 gaven de Arabieren hun eerste protestverklaring tegen de Balfour Declaration uit. Uitvoering hiervan zou leiden tot permanente vreemde overheersing van hun land. Het protest werd met name verwoord door jonge westers opgeleide telgen van Palestijn-Arabische notabelen. Vanuit hun kringen werden allereerst de zogeheten Moslim-Christelijke verenigingen opgericht.11. In november 1918 gaven zij hun eerste protestverklaring uit tegen de Declaration. Nadat een Arabische afvaardiging in augustus 1921 Londen had bezocht om zekerheid te krijgen over hun toekomst, ontving de minister van Buitenlandse Zaken een memo van een hooggeplaatste ambtenaar van datzelfde ministerie, Sir Hubert Young, waarin werd gesteld dat hoewel de strategie een geleidelijke immigratie van joden naar Palestina was tot het land een overwegend Joodse staat was geworden, het de vraag was of de Arabieren verteld moest worden wat het beleid van het ministerie echt betekende 12

De Britse mandaat politiek in Palestina, die zich baseerde op de Balfour Declaration, betekende dat de zionisten veel ruimte kregen om (Oost-) Europese joden te werven voor migratie naar en vestiging in Palestina, en voor hun kolonisatiepolitiek daar.

Dit leidde tot toenemende ongelijkheid en spanningen tussen de groeiende joods zionistische immigrantengemeenschap en de inheemse Arabische bevolking. Zionisten en hun instellingen kochten land in Palestina van Arabische grootgrondbezitters die vaak niet in Palestina woonden en stichtten daar landbouwnederzettingen. Vanwege het beleid dat joodse bedrijven alleen joden in dienst mochten nemen werden steeds meer Arabische pachtboeren en hun families van hun land verdreven. Zij die naar de steden trokken vonden daar vaak ook geen werk vanwege datzelfde joodse beleid. Tegelijkertijd kon de traditionele Palestijns-Arabische sector nauwelijks concurreren met de technologisch geavanceerdere joodse bedrijven. Protesten tegen de zionisten en tegen de Britse overheersers namen toe, ook onder de Palestijns-Arabische boeren en armere stedelingen. Na de Palestijns-Arabische opstand, die in 1936 met een staking was begonnen, kwam verandering in het Britse beleid: joodse immigratie en landaankopen werden ingeperkt. Deze beleidswijziging leidde daarop tot een toenemende verwijdering tussen de Britse machthebbers en de zionisten. Tijdens de oorlog vonden zij samenwerking met de Britten tegen Nazi-Duitsland belangrijker dan uiting geven aan hun ongenoegen over het nieuwe Britse beleid. Maar na 1945 gingen de zionisten zich actief gewapend tegen de Britten verzetten

De Balfour Declaration en de daarop gebaseerde Britse mandaat politiek betekende in feite dat de Britten zich in een onmogelijke situatie hadden gemanoeuvreerd; protest van de Arabieren in Palestina en van de Arabische vazallen en bondgenoten van Groot Brittannië elders maakte onverkorte steun aan het zionisme onhoudbaar. Toegeven aan het Arabisch protest riep gewapend verzet van de zionisten op. In 1947 deed Engeland aan de Verenigde Naties het verzoek een oplossing te vinden voor de kwestie Palestina en kondigde het aan het mandaat op 14 mei 1948 te beëindigen. De VN resolutie van 1947, waarbij het mandaatgebied werd verdeeld in een joodse en een Palestijns-Arabische staat, leidde tot nieuwe geweldsuitbarsting tussen Palestijnse Arabieren en zionistische joden

De Palestijnse Arabieren wezen de verdeling van VN af, zij maakten nog steeds een twee derde meerderheid van de bevolking van Palestina uit. Zionisten die alleen genoegen wilden nemen met heel Palestina wezen de resolutie af. Pragmatisch ingestelde zionisten gingen akkoord met de resolutie van VN omdat het de enige manier was om erkenning van een joodse staat te verkrijgen. De zionisten namen steeds meer gebieden in Palestina in en steeds meer Palestijns-Arabische bewoners werden verdreven. Dit ging door na het uitroepen van de staat Israël op 14 mei 1948: 80 % van de Palestijns Arabische bevolking werd uit Palestina verdreven. Hun grond en bezittingen kwamen in handen van de nieuwkomers. De VN nam nog in 1948 resolutie 194 aan waarin werd uitgesproken dat de vluchtelingen die wilden terugkeren dat bij de eerstkomende gelegenheid mochten doen. Ze hebben recht op terugkeer naar hun huis en land en op teruggave van hun eigendommen. Veel Palestijnen zijn nog steeds niet teruggekeerd.

Het Israëlisch patroon van landonteigening, kolonisatie en discriminatie ten koste van de Palestijnen, en ten behoeve van joden, was gevestigd en werd uitgebreid na de bezetting van Oost-Jeruzalem, de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever in 1967.

Hiermee is de voorspelling van Balfour’s opvolger als Brits minister van Buitenlandse Zaken Lord Curzon uitgekomen. Hij uitte kritiek op de Declaration en het zionisme. Hij voorzag rampzalige consequenties voor vrede en stabiliteit in het nabije oosten in het algemeen en in Palestina in het bijzonder van een door de Balfour Declaration gelegitimeerde Britse steun aan de zionistische immigratie- en kolonisatiepolitiek in Palestina. Een politiek die in zijn ogen tot de onteigening en de onderschikking van de inheemse Arabische bevolking van Palestina zou leiden. 13

Harmsen, hoogleraar Midden Oosten studies in Leiden, wijt dit aan het koloniale karakter van deze verklaring, die gestoeld was op het maken van onderscheid tussen ‘beschaafde’ en ‘primitieve’ volkeren, een onderscheid waaraan Balfour zelf in niet mis te verstane termen uiting had gegeven. De houding van Balfour en de zijnen ten aanzien van de Arabische bevolking kenmerkte zich door koloniale arrogantie Zo stelde hij in een Memo Buitenlandse Zaken van augustus 1919: “Zionisme, of het nu juist of onjuist is, goed of slecht, is geworteld in eeuwenoude tradities, in hedendaagse behoeften en in hoop op de toekomst dat van veel groter belang is dan de wensen en vooroordelen van de 700.000 Arabieren die dit voorvaderlijke land nu bewonen’. In Balfours visie bezaten de zionisten dus gewichtige en belangwekkende zaken als tradities, behoeften en hoop, terwijl de Palestijnse Arabieren slechts wensen en vooroordelen hadden. 14. Dit onderscheid is volgens Harmsen ook nog steeds bepalend in de perceptie van Israël en zijn pleitbezorgers in het Westen van de kwestie Israël-Palestina. 15

Het conflict Israël-Palestina kan een gevoelig onderwerp zijn om te behandelen in een klas waarin leerlingen uit verschillende culturen zitten. Handreiking voor het lesgeven over gevoelige onderwerpen biedt Kleio van juli 1917. Heel bruikbaar bij de bespreking van dit onderwerp is de volgende documentaire

http://www.balfourproject.org/film-of-britain-in-palestine-1917-1948/

Bronvermelding::

Harmsen, Egbert, De Balfour Verklaring – Achtergrond en Gevolgen ; Amsterdam (2017)

Shambrook, Peter, The historical and political context that produced the Balfour Declaration Talk given at the 10th International Sabeel Conference, Bethlehem Hotel; Bethlehem (2017)

Shambrook, Peter, The Balfour Project, Contradictory Promises (2014)

Grey, Mary, The Balfour Declaration – Key players and events (2017)

Cronin, David, Balfour’s shadow; Londen (2017)

Pappe, Ilan, A History of Modern Palestine, One Land, Two Peoples; Cambridge (Verenigd Koninkrijk), Cambridge University Press (2004)

1 ‘Balfour Declaration’ , Wikipedia, p.1.

2 Mathew in: Journal of Palestine Studies Vol. 40, No 2 (Winter 2011), pp. 31 – 32. (Harmsen)

3 Ibid, p. 32 en ‘Balfour Declaration’, Wikipedia, p. 3.(Harmsen)

4 David Fromkin in: A Peace to end all Peace (1989) p, 285 (Grey)

5 Mathew, p. 32.(Harmsen)

6 Pappe, A History of Modern Palestine, p. 67 – 68.

7 idem

8 Mathew, p. 32. (Harmsen)

9 Tom Segev, One Palestine, Complete: Jews and Arabs under the British Mandate (London, 2000), p. 33.(Shambrook)

10 Ingrams, Doreen. Palestine Papers. 1917-1922: Seeds of Conflict (Eland, 1972). p. 22. (Shambrook)

11 Pappe, A History of Modern Palestine, pp. 79 – 80.

12 Ingrams, p.140 (Shambrook)

13 Mathew in: Jounal of Palestina Studies Vol. 40, No. 2 . pp 32 – 37.. (Harmsen)

14 Mathew in: Journal of Palestine Studies Vol. 40, No. 2, p. 27 en Khalidi, Palestinian Identity, p. 252. (Harmsen)

15 Harmsen, Egbert, De Balfour Verklaring – Achtergrond en Gevolgen ; Amsterdam (2017) 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Kleio, vakblad voor docenten geschiedenis

%d bloggers liken dit: