Close

8 mei 2017

Jeremy Milgrom: Hoe (veel) leven willen we?

Onze traditie leert ons om onze naaste lief te hebben als onszelf. In zijn commentaar deze week bij de Parashat Acharey Mot-Kedoshim, vraagt rabbijn Jeremy Milgrom zich af, of we de volledige implicaties van zo’n ‘misleidend’ eenvoudig gebod kunnen aanvaarden.

Door Rabbijn Jeremy Milgrom

(foto: Monument voor slachtoffers van terreur op Mount Herzl. RfHR.)

Waarom is er zo veel vermijdbare dood?

Er is niets tragischer dan de vrolijkheid af te schudden en wakker te moeten worden. Zo zijn de laatste drie weken me, afwisselend, hun verrukking en rouw: Pascha,Yom Hashoah (Holocaust Day), Yom Hazikron (Memorial Day) en Independence Day. We kunnen zoveel vieren als we willen, we kunnen de harde vragen over leven en dood niet opzij schuiven, er kan dus geen geschiktere titel voor de liturgische lezing van deze Shabbat zijn dan (Leviticus 16-18) Aharey Mot, ‘na de dood [van de twee zonen van Aaron]’. Tegen het einde van deze lezing wordt ons optimistisch verteld, dat dit regels zijn ‘om te leven’ – vahai bahem (18:5), dus: hoe komt het, dat er zoveel vermijdbare dood is?

Het bewustzijn van heiligheid en dood

Toen in het boek Leviticus (10), een paar hoofdstukken eerder, de eerste doden vielen, dacht Mozes dat de show door moest gaan, maar Aaron, de getroffen vader, wist dat dat niet kon, althans niet onmiddellijk. De hoofdstukken 12 tot 15, die vorige week gelezen werden, geven een pauze in het verhaal, en nu zijn we terug in hoofdstuk 16 met een technische oplossing voor de hervatting van het Tempelritueel. Ons wordt niet verteld hoe deze geslagen familie het klaarspeelt, maar als volgens de Priesterlijke Code, God aan Mozes het bevel geeft: ‘Zeg tegen je broer Aaron dat hij niet zomaar in het heiligdom binnengaat, om niet te zullen sterven’, zien we het verhoogde bewustzijn van de koppeling van heiligheid en dood. Als het volgende hoofdstuk dezelfde dodelijke gevolgen heeft voor mondain handelen door overal te eten, moeten we ons afvragen, wat hier aan de hand is? Zijn dit nu echt ‘regels om te leven’?

Zijn dit echt ‘regels om te leven’?

De profeet Ezechiel is daar helemaal niet zo zeker van, want nadat hij de frase oppikt en driemaal gebruikt binnen de ruimte van elf verzen (Ezechiël 20: 11,13 en 21), keert hij zich verbazingwekkend – volgens Bijbelse normen – tegen God, door misschien wel het meest raadselachtige vers in de gehele bijbel in de mond te nemen: ‘Ik gaf hun zelfs slechts wetten en regels die leidden tot de dood’ (Ez. 25). We hebben ons sindsdien lang afgevraagd, hoe en waarom heiligheid zo dodelijk kan zijn, en het leven zo precair.

Heb je naaste, de vreemdeling, lief als jezelf

De Liturgische kalender van dit jaar verdubbelt de Parashot deze Shabbat, dus we lezen ook Kedoshim (Leviticus 19-20), dat in hoofdstuk 20 de hardheid van Aharey Mot voortzet met een lijst van doodstraffen voor de seksuele overtredingen die in hoofdstuk 18 zijn begaan, maar voorafgegaan door een mix aan rituele en morele geboden, waarvan één van onze grootste wijzen, Hillel en Akiva, die de essentie van de Torah verklaarden: Heb je naaste lief als jezelf (19:18), en de uitbreiding ervan in vers 34: om de vreemdeling  lief te hebben als jezelf.

Een sublieme eis versus rituele terreur

Het contrast tussen deze sublieme eis en wat gezien kan worden als rituele terreur, herinnert aan de metafoor van de ruwe diamant. In feite formuleerde Hillel de Gouden Regel in negatieve zin: ‘Wat je uit haat doet, doe je niet aan je medemens’, misschien aanvoelend, dat het te veel kan zijn om buiten je intimiteit liefde te verwachten.

Dus bij het proberen de ogen en harten van Israëlische burgers te openen voor de angst van de Palestijnse families die de overblijfselen van hun familieleden die gedood werden nadat ze Israëli aanvielen, niet hebben terug gekregen, kan het effectiever zijn om ze te herinneren aan waar de Goldin en Shaul families doorheen zijn gegaan, toen de overblijfselen van hun zonen door Hamas werden vastgehouden. Is het beminnen van je naaste zoals van jezelf relevant in dit laatste voorbeeld, of gaat het Christelijke Nieuwe Testament te ver als het zegt: ‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd werd: je naaste lief te hebben en de vijand te haten. Maar ik zeg jullie, houd van je vijanden en bid voor degenen die je vervolgen, zodat je kinderen van je Vader in de hemel kunt zijn. Hij laat zijn zon opgaan over kwaden en goeden en laat het regenen op rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matth. 5: 43-45).

We realiseren ons dat het ergens over gaat, als we merken dat het volledige vers verbiedt om wraak te nemen of zelfs wrok te koesteren. We worden achter gelaten met een eenvoudige, maar schijnbaar onmogelijke missie: waar kunnen we de spirituele energie vinden om het natuurlijke verlangen voorbij te komen, om wraak te nemen voor het onrecht dat ons is aangedaan?

Becher Shor, een middeleeuwse commentator, beantwoordt dit door op te merken dat het vers eindigt met de uitspraak, ‘Ik ben de Heer’, die hij in deze context toepast in de betekenis van: ‘Laat je liefde voor Mij je haat voor hem overwinnen en op deze manier overwint Liefde de haat’.

Willen we ‘zo veel’ leven?

Rabbijn Jeremy Milgrom is lid van Rabbi’s for Hunman Rights

Bron: http://rhr.org.il/eng/2017/05/weekly-parasha-much-want-live-questions-ask-now-ever/

%d bloggers liken dit: