Close

9 augustus 2017

Jeremy Milgrom: het overwinnen van de wanhoop van de wraak

In zijn uitleg van de Thoralezing van deze week (Deuteronomium 7:12-11:25) gaat rabbijn Jeremy Milgrom in op de gruwelijkheden die de tekst beveelt. Hij zoekt een weg tussen ‘de Bijbel zegt het, dus…’ en ‘hier kan ik niets mee, dus…’.

Het lezen van een parasha zoals de onze, die zowel liefde als (even slikken…) genocide beveelt, is in de week van de 72e verjaardag van de nucleaire aanvallen op Hiroshima en Nagasaki uitdagend. U hebt zich kennelijk laten aantrekken door een website die zich toelegt op het aan het licht brengen, het veroordelen, het boeten voor en het stoppen van mensenrechtenschendingen. Dan zult u ook stevig genoeg in uw schoenen staan om goed om te gaan met het feit, dat wat inspiratie en troost was voor onze voorouders, bij ons soms grote consternatie teweeg brengt. Maar als we de problematische passages niet simpelweg willen verdonkeremanen, hebben we geen andere keuze dan om ze zo goed mogelijk te behandelen.

Een tekst met onaangename verrassingen

Parashat Ekev (Deuteronomium 7:12-11:25) bevat vaak geciteerde passages, zoals V’haya Im Shamo’a (11:13-21, de tweede paragraaf van de Shema) en Shiv’at Haminim (8:8 , de zeven landbouwproducten van het land), evenals een samenvatting van de episode van het Gouden Kalf. En de tekst brengt steevast verrassingen aan het licht, maar die zijn niet altijd aangenaam.

Aan de positieve kant staat de verbluffende focus van Gods liefde voor de ger (vreemdeling / buitenlander / vreemdeling / immigrant): “JHWH uw God is de God der goden en de heer der heren, de grootste, de machtigste, de verhevenste God die niemand naar de ogen ziet en die zich niet laat omkopen; 18 die recht doet aan weduwen en wezen, en die aan vreemdelingen zijn liefde bewijst door hun voedsel en kleding te schenken. Ook gij moet de ger (vreemdeling) uw liefde bewijzen, want zelf zijt gij gerim (vreemdelingen) geweest in Egypte.” (Deuteronomium 10:17-19).

Waarom zou liefde bij de grens moeten stoppen?

Aan het andere einde van het spectrum krijgt Israël echter het bevel om de herinnering aan de naties die in het Beloofde Land autochtoon waren te vernietigen (Deuteronomium 7:24). Niet alleen om die volken te verslaan of ze te verplaatsen, maar zelfs om elk spoor van ze onder de hemel uit te wissen, à la Amalek (25:19), en ze een ergere behandeling te geven dan de straf die Egypte werd toegemeten. Behalve dan dat de Bijbel ons vertelt dat Amalek een hinderlaag voor ons legde, en dat Egypte ons tot slaven had gemaakt, terwijl de rechtvaardiging voor de uitroeiing van de Kanaänieten over vage kwaadaardigheid of kwaad gaat (9:5) waarvan de tekst het niet nodig vindt om erover uit te weiden. De tekst zegt, dat we het land niet hebben verdiend – het herinnert ons eraan dat we stijfkoppig waren. Het gaat er gewoon over dat God ons heeft liefgehad, wat eigenlijk ‘begunstigd’ betekent, in tegenspraak met 10:17 die we hierboven lazen. Maar het beroemde citaat van Pablo Casals past hier precies bij: “De liefde van iemand voor zijn land is iets natuurlijks. Maar waarom zou liefde bij de grens moeten stoppen? ‘

De mens leeft niet van brood alleen

Een nadere blik op de liefde die God ons biedt, is zeker verwarrend: “Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar, die JHWH uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen: Hij wilde zien of ge zijn geboden zoudt onderhouden of niet. Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven, dat gij, noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van JHWH komt. De kleren aan uw lijf zijn niet versleten en uw voeten zijn niet gezwollen, al die veertig jaren. Besef dan dat JHWH uw God u heeft opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt.” Een houding die wordt samengevat met het beruchte .”Wie de roede spaart, is zijn zoon slechtgezind; als hij hem liefheeft, tuchtigt hij hem vroegtijdig.” (Spreuken 13:24). Dus, hoe los je een probleem zoals dat van Deuteronomium op – als je er tenminste méér mee wilt dan het fluiten op de wijs van “How do you solve a problem like Maria” en het daarbij te laten?

De Kanaänieten werden nooit uitgeroeid…

De moderne Bijbelse kritiek vertelt ons dat het grootste deel van Deuteronomium dateert van het einde van het slinkende koninkrijk Juda, ongeveer 2600 jaar geleden, en vele eeuwen nadat Israël het land binnenkwam. Op deze basis kunnen we zeggen dat het commando om de (afgoden aanbiddende) inheemse volkeren uit te roeien nooit werd uitgevoerd, maar dat het een soort van fantasie was: hadden we de Kanaänieten nu maar uitgewist, dan hadden we niet aan de verleiding toegegeven om hun Goden te aanbidden en dan hadden we ons de toorn van God niet op de hals gehaald. Maar we zitten nog steeds met de verbazing hoe de Bijbelse schrijver zich zo’n onheilige en onrechtvaardige God heeft kunnen voorstellen. Wat mogelijk van belang is in deze tekst, is dat ze ons iets leert over de wanhoop van Israël, die ernstig genoeg was om een zo harteloze en egoïstische theologie mogelijk te maken. Tegen deze achtergrond komt het uitspreken van Gods liefde voor de ger zelfs nog sterker aan het licht, en beveelt die ons tot het uitdenken en uitvoeren van vormen van samenleven en samenwerken met anderen; niet tot hun eliminatie.

Worstelen met de tekst en deze louteren

Dus hebben deze hoofdstukken van Deuteronomium ons nog iets te zeggen, afgezien van sentimentele citaten die soms te afschuwelijk zijn voor onze moderne gevoeligheid, om niet meteen te zeggen antisociaal ? We kunnen in de verleiding komen om even ergens anders heen te gaan (of minstens in te dutten) als ze worden gelezen. Maar ze resoneren te diep in de politiek van onze natie om ze te negeren. Als er ooit een krachtige poging zou moeten worden gedaan om ermee te worstelen en om een tekst te louteren, dan is het wel hier en nu. Dat mensen in staat zijn om de verschrikkingen van hun leven op anderen te projecteren, en zelfs (of vooral) op God, is deze dagen wel duidelijk uit de populariteit van het mismoedigmakende publieke discours dat we overal aantreffen. Mogen we de kracht hebben van het geloof in goedheid en barmhartigheid om een dergelijke wanhoop te overwinnen.

Rabbijn Jeremy Milgrom is lid van Rabbis for Human Rights

Bron: https://www.facebook.com/RabbisForHumanRights/posts/1691838090827936