Religieus verbijzonderen van Israël is een omstreden keuze

 

Steven Paas

13 januari 2024

 

 

Het oorlogsgeweld in Israël-Palestina en de publieke opinies erover hebben velen, ook christenen, in verwarring gebracht of gepolariseerd in vaak tegengestelde Israëlvisies. Voor wie of wat moet worden gekozen? De volgende 12 punten zijn bedoeld als handvat bij bezinning.

 

1. In het christelijk geloof gaat het alleen om Christus, naar de bekende samenvattende duiding vanuit de Reformatie: ‘solus Christus’ (Hand. 4:12). Er is daarin dus geen plaats voor Christus plus iets of iemand anders. Hij is de tweede Persoon van de goddelijke Drie-eenheid en duldt geen verering van iets naast Hem of in plaats van Hem. Ook het OT duidt hier al op o.a. met de eerste twee  geboden van de Dekaloog (Exodus 20:3, 4; Deuteronomium 5:7, 8). Het NT illustreert dit in bijvoorbeeld Mattheüs 17: 8 en Hebreeën 12:2.

 

2. God koos Abraham en vervolgens het volk Israël (Deuteronomium 7:6-8; Psalm 147:20; Jesaja 41:8) om als demonstratie model te staan voor Zijn liefdevolle reddingsplan voor alle volken en alle mensen. Het volk Israël had 12 stammen. Het allergrootste deel is na de ballingschappen onherkenbaar opgegaan in de volkenzee. God bleef echter zijn reddingsplan tonen via het teruggekeerde Judese (Joodse) restant van Israël, dat door Maria voor Hem het instrument was om Zijn Zoon als Zaligmaker van de wereld (Johannes 3:16, 17, 4:42; 1 Johannes 2:2, 4:14) geboren te laten worden. 

 

3. Van een etnisch of nationaal herstel van dat hele OT-ische volk met die naam is al duizenden jaren geen sprake. Profetieën over het bijeenbrengen van het ‘hele huis van Israël’ als in Ezechiël 36 en 37 kunnen in elk geval niet slaan op de vestiging van de moderne staat Israël, die seculier van aard is.

 

4. De naam van de moderne staat Israël dekt niet het Bijbelse Israël, maar is in 1948 door vertegenwoordigers van het Joodse volk gekozen om daarmee de Joodse staat aan te duiden. Het volkenrecht erkent het bestaansrecht van de staat onder die naam. Vriend en vijand van Israël heeft dat te respecteren.

 

5. Het Joodse volk bestaat vooral vanwege het voortbestaan van het Joodse geloof, het Judaïsme, dat helaas afstand neemt van Jezus Christus. Het valt te betreuren dat de Westerse ‘christelijke’ cultuur, voorbijgaand aan Jezus’ gebod tot jaloersmakende liefde (Mattheüs 22:34-40; Romeinen 10: 19, 11:14), daarin aanleiding zag voor uitingen van antisemitisme of van vervangingsideeën die daartoe hebben geleid. Tegelijk is er vanuit het oogpunt van het christelijke geloof geen reden om Israël religieus te verbijzonderen of  te verheffen.

 

6. Sluitend bewijs voor de stelling dat het hele huidige Joodse volk via DNA zou afstammen van de Joden in de tijd van Jezus hebben de geleerden niet kunnen leveren.

 

7. De veronderstelling dat God een blijvende uitzonderlijke religieuze positie en toekomst heeft beloofd aan de Joden als Zijn specifieke volk in Zijn plan met wereld en mensheid is pas rond 1600 opgekomen, eerst onder Engelse en Schotse Puriteinen en vervolgens in o.a. Noord-Amerika, Nederland binnen de Nadere Reformatie en Duitsland binnen het ‘Pietismus’.

 

8. Binnen een christocentrische interpretatie geeft de Bijbel geen grond voor bovengenoemde duiding van de OT-ische beloften voor Israël. Bovendien, als men daaraan blijft vasthouden, zou men ook de in het OT aangekondigde oordeelsdreigingen specifiek op het Joodse volk moeten laten slaan. Maar daarmee zouden Joden voor de zonde van ongeloof in Christus uitzonderlijk worden gestraft, waardoor pogroms, de Holocaust en de Hamasmoorden theoretisch (theologisch) verklaarbaar zouden worden gemaakt. Weinig christenen willen die akelige consequentie van hun Israël religieus-verheffende standpunt (nog) trekken.

 

9. De aanname van een blijvende religieuze status aparte voor het Joodse volk is door sommige christenen ontwikkeld tot een hermeneutisch (uitlegkundig) principe, een sleutel voor de interpretatie van bepaalde afzonderlijke Bijbelteksten en uiteindelijk van de hele Bijbel.

 

10. Andere christenen vinden dit onjuist. Zij beroepen zich op de Oude Kerk en de Reformatie die de Schrift interpreteerden vanuit het principe dat Gods beloften en oordeelsaankondigingen in het OT en het NT in Christus hun wezenlijke betekenis en vervulling hebben gekregen en daarom alleen vanuit Hem verklaarbaar zijn en in Hem geldig zijn voor alle volken. Gods ‘onberouwelijke’ trouw (Romeinen 11:29) en al Zijn beloften zijn in Christus ‘ja en amen’ (2 Korinthe 1:20) voor de hele mensheid (Mattheüs 28:19). Zo is het ook met Gods oordelen (Romeinen 14:10-12; 2 Korinthe 5:10).

 

11. Met die uitleg willen zij recht doen aan de samenhang van de  hele Schrift. Daaruit volgt dat de naam ‘Israël’, zoals gebruikt door Paulus in bijvoorbeeld Romeinen 11:26, slaat op het ‘Israël van God’ (Galaten 6:16; Efeze 2:14) dat bestaat uit alle Christusgelovigen van alle tijden en plaatsen, uiteraard inclusief allen van het Joodse volk die in Hem geloven (Romeinen 11:1). De ware kinderen van Abraham zijn Joden en niet-Joden voor wie de beloften van Gods genadeverbond effectief zijn geworden door het geloof in Christus (Mattheüs 3:9; Romeinen 9:6-8; Galaten 3:7, 14, 26-29).

 

12. Er is dus sprake van twee interpretatieprincipes (Christus-plus of Christus-alleen), die elkaar uitsluiten. De te maken keuze heeft geestelijke, theologische, kerkelijke en politieke gevolgen. Zie verder mijn artikelen over Israëlisme en Israëlverheffing.

 

Zie ook de reacties op dit artikel op LinkedIn

 

Dr. Steven Paas bestudeert Israëlvisies en is actief op de terreinen van kerkgeschiedenis, missiologie, en de lexicografie van het Chichewa, een veel gesproken taal in centraal Afrika.

KAIROS SABEEL zet zich in voor rechtvaardige vrede in Palestina.